Begin januari heb ik samen met mijn gezin drie maanden in Moengo gewoond en gewerkt. Hier heb ik met de inwoners gesproken over de grond waarop zij wonen, gebruik van maken en lief hebben. De vierkante meter die voor hen van belang is. Vanaf augustus zullen de 16 portretten die ik na aanleiding van deze plekken heb geschreven, maandelijks in het opinietijdschrift Parbode verschijnen.

Hieronder het eerste verhaal van Arnold Betterson

 

Arnold Betterson

Aukaans is voor een nieuwkomer geen makkelijke taal. Ik zocht de vertaling van een kinderliedje dat mijn dochter op school zingt. De man die het atelier inliep vroeg ik om hulp. Sindsdien komt hij ’s morgens op bezoek om een praatje te maken of de krant te lezen.

Arnold Betterson is een rustige, lange, slanke man (in niets doet hij denken aan de bijnaam die hij vroeger kreeg; a Bigiso, wat de grote jongen betekent). Tijdens mijn werkzaamheden babbelen we over van alles. Vooral de wereldproblematiek die hij in de krant leest of ’s avonds opzoekt op het internet interesseert hem.

Hij zou graag op reis gaan, zijn paspoort is nog vier jaar geldig dus het zou kunnen. Wanneer zijn ouders een andere keuze hadden gemaakt zou hij in Nederland hebben gewoond. Arnold is namelijk geboren in 1982 in het ziekenhuis van Moengo maar zoals de meeste mensen die toen in Moengo woonden, zijn ook zij hun grond ontvlucht vanwege de binnenlandse oorlog. Via Lange Tabbetje naar Frans Guyana, waar ze werden opgevangen in een vluchtelingenkamp.

Arnold heeft meerder banen en “levens” achter de rug. Wanneer hij erover vertelt kijken zijn smalle priemende ogen je aan terwijl hij in zijn hoofd lijkt af te reizen naar vervlogen dagen. Vooral aan zijn beginjaren op de Fred Murray school in Moengo heeft hij goede herinneringen. Na de jaren in het kamp, waar geen onderwijs was en zijn nieuwsgierige geest de informatie van een televisiescherm achter een hek moest halen, kon hij nu weer op eigen grond naar school. Het groen geruite schooluniform maakte hem trots en onderdeel van deze op te bouwen samenleving.

Toch lukte het hem door omstandigheden niet zijn school af te ronden. En zo vertrok Arnold op zijn vijftiende naar Gowtoe Boesie aan de Meriankreek waar hij in de goudmijn ging werken als sjouwer. Lange afstanden met zware emmers aan een hoofdband. Na een paar heftige jaren kon hij dit niet langer opbrengen en ontmoette hij gelukkig een onderwijsinspecteur die hem naar de ETO (Eenvoudig Technisch Onderwijs) heeft gestuurd.

Uiteindelijk kwam hij terug in Moengo waar hij nu werkt nu voor lanti als onderhoudsmedewerker. Daarnaast is hij bezig met het opzetten van een gospelband. Met zijn kalme baritonstem hoopt hij de gemeente straks toe te zingen. Ze willen een videoclip gaan maken en er staan ook interviews met de krant op het programma. Voordat het zo ver is moet hij de kerk voorzien van stoelen. Opbouwen en afbreken. Maar als het straks gaat lukken, zal hij zingen voor de Heer en Hem vertellen dat hij zijn leven zal beteren. Hij kromt zijn lichaam, lacht en slaat zijn lange armen langs zijn lijf. Hij ziet het helemaal voor zich.